Er beweegt iets in de psychiatrie en eigenlijk werd dat ook wel tijd. De onvrede over de DSM, het bekende handboek vol psychische labels, groeit al jaren. Op 2 april kwamen behandelaren, onderzoekers, filosofen, sociologen, juristen en ervaringsdeskundigen in Amsterdam bijeen om na te denken over een andere manier van kijken. Een menselijker manier. Een manier die beter past bij hoe psychische klachten in het echte leven ontstaan. Dat vind ik hoopgevend.
Want als je al langer in de geestelijke gezondheidszorg rondloopt, dan weet je hoe snel iemand gereduceerd kan worden tot een label. ADHD. Depressie. Persoonlijkheidsstoornis. Angststoornis. Burn-out. Alsof dat woord dan ineens vertelt wat er aan de hand is. Alsof je daarmee begrijpt waarom iemand vastloopt. Alsof je met een etiket de binnenkant van een mens kent. Zo werkt het natuurlijk niet.
Een label vertelt weinig over hoe iemand geworden is wie hij is
Mensen ontstaan in een context. Je groeit op in een gezin. In een sfeer. In een buurt. Met ouders die je wel of geen veiligheid konden geven. Met stress, afwijzing, verlies, pesten, armoede, prestatiedruk, mishandeling, onvoorspelbaarheid, eenzaamheid of juist overaanpassing. Al die dingen vormen je zenuwstelsel, je zelfbeeld, je coping en je veerkracht. Dus als iemand later vastloopt, dan komt dat zelden uit de lucht vallen.
Psychische klachten zijn vaak geen vreemd defect ergens diep in een individueel brein. Ze zijn heel vaak een logische reactie op wat iemand heeft meegemaakt, heeft moeten dragen of te lang heeft volgehouden. Dat maakt die klachten niet minder ernstig. Het maakt ze juist begrijpelijker.
Het wringt al jaren met de DSM
De DSM kan beschrijven wát iemand laat zien, maar veel minder goed waarom dat zo is ontstaan en wat het in stand houdt. Je kunt er gedrag mee ordenen. Je kunt er een vakje mee aanvinken. Je kunt er zorg mee organiseren. Alleen begrijp je daarmee nog steeds niet automatisch de mens tegenover je. Dat is precies de reden waarom zoveel behandelaren er inmiddels op afknappen.
De vraag zou vaker moeten zijn: wat houdt dit patroon in stand?
Wat ik interessant vind aan patroondiagnostiek, is dat het de aandacht verschuift van labelen naar begrijpen. Dus niet alleen kijken naar welke klachten iemand heeft, maar naar hoe die klachten samenhangen met patronen in denken, voelen, reageren en relaties. Welke overlevingsstrategieën zijn ooit helpend geweest en zitten nu in de weg? Welke dynamiek thuis, op het werk of in de liefde blijft oude pijn voeden? Wanneer raakt iemand steeds opnieuw overbelast? Hoe reageert de omgeving op de klacht, en hoe versterkt dat soms onbedoeld het probleem? Dat zijn voor mij wezenlijke vragen.
Waarom is iemand angstig?
Iemand die voortdurend alert is, kan bijvoorbeeld “angstig” genoemd worden. Alleen zegt dat nog weinig. Misschien heeft diegene geleerd dat ontspanning onveilig is. Misschien groeide iemand op in een huis waar de sfeer elk moment kon omslaan. Misschien werd voelen afgestraft. Misschien moest iemand al jong sterk zijn, zorgen, aanpassen, inslikken, doorzetten. Dan is hyperalert zijn geen willekeurige klacht. Dan is het een patroon dat ooit nodig was. En precies daar zit vaak ook de ingang voor herstel.
Niet door iemand simpelweg te vertellen welk label erbij hoort, maar door samen te onderzoeken: hoe werkt dit bij jou? Waar is dit begonnen? Wanneer schiet je erin? Wat levert het je op? Wat kost het je? Wat houdt het vandaag nog vast? Dat is een heel ander gesprek.
De sociale omgeving doet ertoe, ook al past dat minder lekker in een hokje
In het artikel van EOS wordt ook gesproken over ecosystemen in wijken, waarin GGZ-behandelaren samenwerken met huisartsen, sportclubs, kerken, zelfregiecentra en andere plekken in de samenleving. Dat vind ik een waardevolle ontwikkeling. Want herstel gebeurt lang niet alleen in een behandelkamer.
Soms helpt EMDR. Soms helpt relatietherapie. Soms helpt psycho-educatie. Soms helpt leren voelen wat je lichaam allang wist. Soms helpt eindelijk rust. En veiligheid. Of een mens die blijft. En weer ergens bij horen. Of bewegen. Of natuur. Of structuur. En een omgeving die je minder overvraagt. We zijn als mens relationele wezens. We raken gewond in contact en we herstellen vaak ook in contact. Dan is het vreemd om psychische klachten los te trekken van de wereld waarin iemand leeft.
Een jongere die vastloopt onder prestatiedruk, sociale media, onveilig thuis, slaaptekort en een gevoel van voortdurende vergelijking, heeft geen klacht “in een vacuüm”. Een volwassene met somberheid, uitputting of paniek draagt vaak een hele voorgeschiedenis mee. En soms ook een heden dat nog steeds te zwaar is. Dan kun je wel een keurige classificatie opschrijven, maar daar wordt het leven van die persoon op zichzelf nog niet lichter van.
Labels geven soms erkenning, maar ze mogen geen eindstation worden
Een diagnose kan opluchting geven. Voor sommige mensen voelt het als erkenning. Eindelijk woorden voor iets waar je al jaren tegenaan loopt. Eindelijk iets wat uitlegt waarom het anders voelt. Dat snap ik heel goed. Alleen zit daar ook een risico.
Zodra een label als verklaring gaat functioneren, stopt soms het echte onderzoeken. Dan wordt ADHD de reden van alles. Of autisme. Of trauma. Of depressie. Terwijl een classificatie vooral beschrijvend is. Het zegt wat er zichtbaar is, veel minder wat de diepte en samenhang ervan is.
Dan hoor je uitspraken als: “Ik kan me niet concentreren vanwege mijn ADHD.” Dat klinkt logisch, maar het is vaak te plat. Wat speelt er nog meer? Stress? Slaaptekort? Overprikkeling? Onveiligheid? Onverwerkt trauma? Een leven dat totaal niet past bij hoe iemand werkt? Een relatie die leegtrekt? Een systeem dat voortdurend overvraagt?
Vertraging, nieuwsgierigheid en context
Wat mij betreft hoort goede diagnostiek veel minder op een checklist te lijken en veel meer op samen kijken.
Wie ben jij?
Wat heb jij meegemaakt?
Wat heb jij geleerd om te overleven?
Wat ontbrak er?
Wat gebeurt er in je relaties?
Wat gebeurt er in je lichaam?
Wanneer escaleert het?
Wat helpt tijdelijk?
Wat helpt echt?
Waar zit oude pijn?
Waar zit huidige overbelasting?
Wat houdt dit patroon in stand?
Dat zijn vragen die ertoe doen. Daar zit voor mij ook de kern van veerkracht. Veerkracht is geen karaktertrek die je toevallig wel of niet hebt. Het ontstaat in hoe veilig je je hebt kunnen hechten, hoeveel ruimte er was voor emoties, hoe je leerde omgaan met stress, of je steun had, of je mocht falen, of je gezien werd, of je moest overleven. Veerkracht groeit in omstandigheden. En veerkracht slijt ook in omstandigheden. Dus ja, opvoeding, situatie, relaties, sociale druk en levensgeschiedenis hebben allemaal impact op je psychische gesteldheid. En flink ook. Dat zou geen bijzaak moeten zijn in diagnostiek. Dat zou het vertrekpunt moeten zijn.
Misschien is dit wel de beweging waar de reguliere GGZ al lang op wacht
Ik vind het daarom een goed teken dat er nu vanuit verschillende hoeken wordt nagedacht over een andere vorm van diagnostiek. Eentje die verder kijkt dan stoorniscategorieën. Eentje die mensen niet vastzet in een label, maar probeert te begrijpen hoe hun klachten zijn ontstaan en waardoor ze blijven bestaan. Want uiteindelijk wil je als behandelaar toch vooral dat iemand zichzelf beter gaat begrijpen. Dat er ruimte komt. Dat schuld afneemt. Dat patronen zichtbaar worden. Dat iemand voelt: ik ben niet gek, kapot of mislukt. Er is een reden dat ik ben gaan reageren zoals ik reageer. En vanuit dat begrip kan beweging ontstaan.
Dat lijkt mij veel zinvoller dan nog een extra hokje in een boek met driehonderd labels.
Voor meer informatie of een afspraak, neem dan contact met mij op.
Reactie plaatsen
Reacties