Als je als kind vooral moest passen bij wat je ouders wilden
Soms ontdek je pas als volwassene dat er in je jeugd iets ontbrak wat je toen nog niet onder woorden kon brengen.
Misschien werd er thuis goed voor je gezorgd. Je had eten, kleding, een dak boven je hoofd en je ging misschien gewoon op vakantie. Van buitenaf leek er weinig aan de hand. Toch kun je als volwassene met een vaag gevoel rondlopen dat je vroeger niet echt gezien bent. Niet omdat je ouders nooit naar je keken, maar omdat ze weinig oog hadden voor wie jíj eigenlijk was. Wat jij leuk vond. Waar jij behoefte aan had. Wat jou blij maakte. Waar jij gevoelig voor was. Waar jij juist van overliep.
Misschien was je vader gek op voetbal en nam hij je iedere keer mee naar wedstrijden. Voor hem was dat waarschijnlijk iets moois. Samen met zijn zoon naar het stadion, juichen, meeleven, misschien daarna nog iets drinken. Alleen vond jij voetbal helemaal niet leuk. Je hield niet van die drukte, het geschreeuw en al die mensen om je heen. Je kwam vaak moe en overprikkeld thuis. Maar dat telde nauwelijks mee. Je moest gewoon mee, omdat je vader het leuk vond.
Als kind zeg je dan meestal niet: “Papa houdt onvoldoende rekening met mijn behoeften.” Nee, je probeert je aan te passen. Je leert jezelf aan dat je niet zo moeilijk moet doen. Dat je dankbaar moet zijn dat je vader iets met je onderneemt. Misschien probeer je zelfs voetbal leuk te vinden, omdat je voelt dat het voor hem belangrijk is.
En ongemerkt ontstaat er een eerste boodschap van binnen:
Wat ik wil, is minder belangrijk dan wat de ander wil.
Wanneer je vooral moest passen in de wereld van je ouder
Misschien herken je iets anders. Je moeder hield van musea, mineralenbeurzen, klassieke muziek, poëzie en tentoonstellingen. Dus daar ging je mee naartoe. Je was nog jong, maar je wist al precies hoe je je netjes en goed moest gedragen tussen volwassenen. Je keek geïnteresseerd naar stenen en probeerde de soorten te onderscheiden. Je bestudeerde de schilderijen en leerde de namen van de schilders uit je hoofd. Je las verheven gedichten die niet paste bij je leeftijd en scoorde met volzinnen bij de volwassenen. Je luisterde naar Vivaldi en Beethoven i.p.v. naar K3.
Misschien vond je het soms best leuk. Maar veel liever wilde je eens naar de speeltuin. Of samen thuis een spelletje Pim, Pam, Pet doen. Of knutselen. Of gewoon iets doen wat bij jouw leeftijd en jouw interesses hoorde maar dat gebeurde nauwelijks.
En als je moeder dan eindelijk eens meeging in iets wat jij leuk vond, voelde je haar tegenzin. Misschien zei ze dat ook gewoon. “Nou vooruit dan maar omdat jij dit leuk vindt.” of “Ik doe het alleen maar voor jou hé.” En dan moest je dankbaar zijn.
Voor een volwassene klinkt dat misschien als een onschuldige opmerking. Voor een kind kan het iets heel anders betekenen. Je leert dat plezier voor jou blijkbaar moeite kost voor een ander. Dat jouw wensen en behoeften lastig zijn. Dat iemand zich moet opofferen als jij iets graag wilt. En dus ga je minder vragen. Minder ruimte innemen. Meer aanpassen.
Een vader die er stond, maar er toch niet echt was
Soms was een ouder lichamelijk wel aanwezig, maar emotioneel nauwelijks. Stel je een jongen voor die dol is op hockey. Iedere week vraagt hij aan zijn vader of hij komt kijken. “Kom je zaterdag?” Zijn vader heeft het druk. Werk, afspraken, telefoontjes. Vaak lukt het niet. Maar op een dag komt hij wel. De jongen is blij. Tijdens de warming-up kijkt hij al even naar de zijlijn. Daar staat zijn vader. Hij voelt zich gezien.
Tot hij tijdens de wedstrijd opnieuw kijkt. Zijn vader staat te bellen. Even later nog steeds. Weer een zakelijk gesprek. Hij staat druk te gebaren met zijn gezicht afgewend van het veld. Nog een bericht. Hij heeft nauwelijks gezien wat zijn zoon deed. Aan het einde van de wedstrijd zegt hij misschien zelfs: “Goed gespeeld”, terwijl de jongen weet dat hij amper heeft gekeken. Dat kan een vreemd soort pijn geven. Want je vader was er. En toch was hij er niet.
Voor een kind is dat verwarrend. Je kunt moeilijk uitleggen waarom het zo leeg voelt wanneer iemand letterlijk een paar meter bij je vandaan staat. Wat je wel voelt, is: Ik ben blijkbaar niet belangrijk genoeg om even alle aandacht te krijgen.
Het kind dat bij het raam bleef wachten
Soms is de afwezigheid nog duidelijker. Een meisje heeft gescheiden ouders en haar vader zal haar ophalen voor het weekend. Ze heeft haar weekendtas al klaarstaan. Ze kijkt steeds op de klok. Bij ieder geluid van een auto loopt ze naar het raam. “Is dat papa?” Nog niet. Hij zou om tien uur komen. Tien uur wordt half elf. Half elf wordt elf uur. Haar moeder zegt hoofdschuddend dat hij vast wat later is. Dus blijft ze wachten. En hopen. Tot duidelijk wordt dat hij helemaal niet meer komt. Misschien gebeurt dat niet één keer, maar vaker.
Als volwassene kun je daar allerlei verklaringen voor bedenken. Misschien was haar vader onbetrouwbaar, chaotisch, emotioneel onvolwassen, druk met zichzelf of verwikkeld in problemen met haar moeder. Maar een kind maakt die analyse niet. Een kind voelt vooral: Hij komt niet voor mij. En daaronder kan langzaam iets nog pijnlijkers ontstaan: Ik ben niet belangrijk genoeg.
Waarom dit later zo diep kan doorwerken
Kinderen bouwen hun beeld van zichzelf voor een groot deel op in contact met hun ouders. Als je ouders nieuwsgierig zijn naar jou, belangstelling tonen en rekening houden met jouw gevoelens, ontstaat meestal vanzelf het gevoel dat jouw binnenwereld ertoe doet. Je hoeft dan niet voortdurend te bewijzen dat je aandacht verdient.
Maar wanneer de belangen van een ouder steeds voorgaan, kan een kind een heel ander beeld ontwikkelen. Je gaat niet denken dat je ouder tekortschiet. Je denkt dat er iets met jou is. Misschien ben jij te gevoelig. Te lastig. Te veeleisend. Niet interessant genoeg. Of gewoon niet belangrijk genoeg.
Die gedachten verdwijnen niet automatisch wanneer je achttien wordt. Ze reizen vaak met je mee. Waar kan je ze aan herkennen?
Van aanpassen naar jezelf kwijtraken
Als je vroeger geleerd hebt dat je het beste kunt aanpassen, kan dat later een tweede natuur worden.
Je bent misschien degene die altijd rekening houdt met anderen.
Je merkt onmiddellijk wanneer iemand moe is, geïrriteerd raakt of behoefte heeft aan rust.
Je past plannen aan.
Je houdt je mond wanneer iets je dwarszit.
Je zegt snel: “Geeft niet" of "Sorry".
En als iemand vraagt wat jij eigenlijk wilt, moet je soms diep nadenken. Dat is niet omdat je geen wensen hebt. Je hebt alleen lang geleerd dat die wensen niet vanzelfsprekend ruimte kregen.
Sommige volwassenen merken pas in therapie hoe weinig contact ze eigenlijk hebben met hun eigen behoeften. Ze kunnen uitstekend vertellen wat hun partner, kinderen, ouders of collega’s nodig hebben. Maar bij de vraag “En jij?” valt het even stil.
Een negatief zelfbeeld ontstaat vaak heel stilletjes
Een negatief zelfbeeld ontstaat niet altijd doordat ouders letterlijk zeiden dat je niets waard was. Het kan ook ontstaan doordat je steeds opnieuw ervoer dat andere dingen belangrijker waren dan jij.
Het werk van je vader.
De hobby van je moeder.
De stemming van een ouder.
De behoeften van anderen.
Wanneer dat vaak genoeg gebeurt, kan de overtuiging ontstaan dat je pas de moeite waard bent als je iets toevoegt.
Als je lief bent.
Als je presteert.
Als je niemand tot last bent.
Als je interessant genoeg bent.
Je kunt daardoor als volwassene sterk afhankelijk worden van bevestiging. Een compliment voelt heerlijk, maar het effect is snel weer weg. Een afwijzende blik of kort berichtje kan daarentegen uren blijven hangen.
Angst en onzekerheid in relaties
Ook angstklachten kunnen hiermee samenhangen. Wanneer aandacht en beschikbaarheid vroeger onvoorspelbaar waren, ga je vaak scherp letten op anderen. Mensen die HSP (hoogsensitief) zijn, hebben vaak jarenlange 'training' gehad in hun jeugd:
Je voelt veranderingen razendsnel.
Iemand klinkt anders.
Een partner reageert later dan normaal.
Een collega is kortaf.
Je hoofd begint direct te zoeken. Heb ik iets verkeerd gedaan? Is iemand boos? Heb ik te veel gevraagd? Gaat deze persoon afstand nemen? Voor anderen kan dat overdreven lijken. Voor jou voelt het vaak heel echt. Je zenuwstelsel heeft ooit geleerd dat verbinding niet vanzelfsprekend is.
Verlatingsangst kan beginnen met wachten
Het meisje dat vroeger voor het raam op haar vader wachtte, kan later een vrouw worden die erg onrustig wordt wanneer haar partner niet reageert. Ze weet rationeel dat hij waarschijnlijk gewoon druk is. Toch voelt haar lichaam iets anders. Onrust. Spanning. De neiging om nog een bericht te sturen. Of nog één. Niet omdat ze zwak of afhankelijk is, maar omdat iets ouds wordt geraakt. Het wachten. De onzekerheid. De vraag of iemand nog komt.
Verlatingsangst gaat vaak niet alleen over de angst dat iemand daadwerkelijk vertrekt. Het gaat ook over die oude ervaring dat je niet zeker wist of iemand voor jou zou kiezen.
En soms ontstaat juist bindingsangst
Het kan ook de andere kant op gaan. Je hebt geleerd dat je beter niet te veel kunt verwachten. Dan kan het veiliger voelen om niemand echt nodig te hebben. Je bent zelfstandig. Je regelt alles zelf. Je houdt een stukje afstand. En zodra iemand heel dichtbij komt, voel je misschien de neiging om je terug te trekken. Want dichtbij betekent ook afhankelijk worden. En afhankelijk zijn betekent dat iemand je kan teleurstellen.
Zo kunnen mensen met dezelfde soort jeugd later heel verschillend reageren. De één klampt zich vast, de ander houdt afstand. Onder beide patronen kan dezelfde oude pijn zitten: Kan ik erop vertrouwen dat jij werkelijk voor mij kiest?
Moet je je ouders dan narcistisch noemen?
Veel volwassenen zoeken later naar woorden voor wat zij hebben meegemaakt. Ze lezen over narcistische ouders, egoïstische ouders of emotioneel onvolwassen ouders en herkennen ineens veel. Dat kan opluchting geven. Eindelijk lijkt er een verklaring te zijn. Toch hoeft een ouder geen narcistische persoonlijkheidsstoornis te hebben om zich sterk zelfgericht te gedragen. Sommige ouders konden eenvoudigweg moeilijk buiten zichzelf kijken. Ze hielden misschien van hun kind, maar waren weinig in staat om zich af te stemmen op de belevingswereld van dat kind.
Daarom vind ik de vraag wie je ouder precies “was” vaak minder belangrijk dan de vraag wat jij hebt ervaren. Was er ruimte voor jou? Kon je anders zijn dan je ouder? Mocht je iets niet leuk vinden wat je vader geweldig vond? Kon je moeder meegaan in jouw plezier zonder jou het gevoel te geven dat het haar enorm veel kostte? Kon je rekenen op aandacht wanneer iets belangrijk voor jou was? Dat zijn vragen die veel duidelijk kunnen maken.
Je mag erkennen wat je gemist hebt
Misschien voel je weerstand wanneer je dit leest want je ouders hebben ook goede dingen gedaan. Misschien hield je van ze. Misschien hebben ze gewoon keihard gewerkt. Misschien hebben ze zelf geen makkelijke jeugd gehad vol met trauma en verlating. Dat mag allemaal waar zijn. En tegelijkertijd mag ook waar zijn dat jij dingen hebt gemist.
Begrip voor je ouders hoeft jouw pijn niet uit te wissen. Je hoeft je vader niet tot slechte vader te verklaren om te mogen zeggen dat je verdrietig was omdat hij nooit echt keek naar jouw hockeywedstrijd. Je hoeft je moeder niet af te wijzen om te erkennen dat je als kind graag had gewild dat zij eens zonder zuchten met jou een spelletje speelde of jou niet alleen maar als een volwassene behandelde.
Je hoeft je jeugd niet volledig af te keuren om te erkennen dat jij te weinig gezien bent.
Herstel begint wanneer jij jezelf wel serieus gaat nemen
Veel herstel zit uiteindelijk in iets wat eenvoudig klinkt, maar diep kan gaan. Je leert opnieuw luisteren naar jezelf.
Wat vind ík eigenlijk leuk?
Wat wil ik?
Waar krijg ik energie van?
Wat voelt niet goed?
Waar ligt mijn grens?
Wat heb ik nodig van een partner?
Dat kan aanvankelijk onwennig voelen. Soms zelfs egoïstisch maar het is geen egoïsme om jezelf mee te laten tellen. Voor veel volwassenen is dat juist een belangrijk deel van herstel na emotionele verwaarlozing: ervaren dat je niet eerst iets hoeft te presteren, geven of aanpassen om de moeite waard te zijn.
Je mag ruimte innemen.
Je mag wensen hebben.
Je mag teleurgesteld zijn.
Je mag aandacht nodig hebben.
En je mag relaties aangaan waarin niet alleen jij steeds rekening houdt met de ander, maar waarin iemand ook werkelijk geïnteresseerd is in jou.
Herken je jezelf hierin?
Als je bent opgegroeid met een ouder die vooral met zichzelf, zijn werk of eigen interesses bezig was, kan dat nog lang doorwerken. Je kunt last krijgen van onzekerheid, een negatief zelfbeeld, angst, verlatingsangst, bindingsangst of problemen in relaties zonder meteen te begrijpen waar dat vandaan komt.
Vaak zijn deze patronen niet zomaar ontstaan. Ze hebben ooit geholpen om je aan te passen aan de omgeving waarin je opgroeide.
In therapie kun je onderzoeken welke overtuigingen je over jezelf hebt meegenomen uit je jeugd en hoe die nu nog invloed hebben op je relaties, grenzen en gevoel van eigenwaarde. Je kunt leren om jezelf serieuzer te nemen, beter te voelen wat je nodig hebt en oude patronen stap voor stap losser te maken.
Wil je onderzoeken hoe jouw jeugdervaringen nog doorwerken in je leven? Neem dan gerust contact met mij op voor meer informatie of om een afspraak te maken in mijn praktijk in Breda.
Reactie plaatsen
Reacties